Gedichten en verhalen - Stilte retraite
Gedichten en verhalen - Stilte retraite
het huis van stilte
Er was eens een jonge reiziger die het lawaai van de wereld moe was. Overal waar hij ging, werd hij vergezeld door het rumoer van gedachten, stemmen van het verleden, zorgen over de toekomst, en eindeloze innerlijke gesprekken. Op een dag hoorde hij over een verre vallei waar een mysterieus huis stond: Het Huis van Stilte.
Men zei dat iedereen die daar binnenstapte, de ware aard van de mind zou ontmoeten.
De reiziger vond het huis uiteindelijk na een lange tocht. Het was eenvoudig, gemaakt van hout, met open ramen waar de wind vrij doorheen kon. Er was niemand aanwezig. Alleen stilte, tastbaar, diep.
Hij ging zitten. Eerst kwamen zijn gedachten in stormen, als wilde vogels die hun vrijheid opeisten gevangen in een kooi. Maar er was niets dat hen terugduwde. Er was Alleen ruimte, openheid. Alleen stilte. Alleen de adem.
Uren gingen voorbij. Dagen misschien. De storm bedaarde omdat hij stopte met vechten.
De adem werd zijn metgezel. Steeds dieper zakte hij in aanwezigheid, als in de bodem van een meer. Daar, in het centrum van het niets, vond hij het alles.
Toen hij opstond om het huis te verlaten, merkte hij dat hij het niet achterliet, het was met hem meegekomen. Het huis van stilte leefde nu in hem.
de zakkenroller
Een zakkenroller gaat luisteren naar een grote heilige meester. Honderden mensen zitten in stilte en worden diep geraakt door de wijsheid die gedeeld wordt. Na afloop vraagt iemand aan de zakkenroller:
“Hoe was de heilige? Wat vond je van zijn woorden?”
En de zakkenroller antwoordt:
“Ik heb de heilige niet gezien. Ik zag alleen maar zakken.”
het heldere oog van inzicht
Er was eens een jonge man genaamd Anuruddha, neef van de Boeddha. Hij groeide op in luxe, zijde, muziek, overvloed. Zijn leven was zacht, zorgeloos. Maar toen hij hoorde over zijn neef, de Boeddha, die alles had achtergelaten om de aard van lijden te begrijpen, begon er iets in hem te bewegen. Een verlangen naar iets wat dieper was dan comfort, een verlangen naar waarheid.
En dus liet hij zijn huis achter, zijn familie, zijn privileges, en trad toe tot de gemeenschap van monniken, de Sangha.
Maar het pad bleek niet gemakkelijk. Anuruddha had moeite met de discipline, met concentratie, met het vinden van de juiste focus in meditatie. Hij viel in slaap tijdens oefeningen. Toch bleef zijn toewijding daar.
Hij oefende, dag na dag. Soms met moed, soms met vermoeidheid. Totdat hij besloot: ik zal niet meer rusten totdat ik helder zie.
En dat deed hij, letterlijk.
Zijn concentratie werd zo diep, zo scherp, dat hij het vermogen ontwikkelde om door de werelden heen te zien. Zijn inzicht werd zo helder dat hij bekend stond als de monnik met het goddelijk oog, dibba-cakkhu. Hij kon de karmische cycli van wezens zien, hun geboorte en wedergeboorte, hun oorzaken van lijden en bevrijding.
Er is een moment waarin de Boeddha tegen Anuruddha zegt: “Jij denkt: ‘Met mijn goddelijk oog zie ik de wereld zo helder.’ Maar zolang je nog denkt in termen van ‘ik zie’, is je visie niet compleet.”
Milarepa
Milarepa, een Tibetaanse meester, bevond zich ooit in een worsteling. Hij ontdekte dat zijn grot vol zat met demonen. Hoewel hij begreep dat het slechts projecties van zijn eigen geest waren, waren ze er niet minder angstaanjagend of bedreigend om.
Hoe raakt hij ze kwijt?
Eerst dacht hij dat het onderwijzen van de waarheden van de dharma zou helpen, maar de demonen negeerden hem volledig. Boos en gefrustreerd rende hij op hen af, in een poging hen de grot uit te duwen. Maar ze waren veel sterker dan hij; ze lachten hem uit en werden alleen maar groter.
Uiteindelijk gaf Milarepa het op. Hij ging op de grond zitten en zei:
“Ik ga nergens heen, en het lijkt erop dat jullie ook niet van plan zijn te vertrekken. Dus laten we dan maar gewoon samen hier wonen.”
Hij dacht: Blijkbaar moet ik hiermee leren leven; zo is het leven nu eenmaal. Op het moment dat hij stopte met vechten, stonden de demonen op en verlieten de grot, in plaats van deze over te nemen.
Alleen één demon, een bijzonder krachtige, bleef achter. Milarepa besefte dat het enige wat hij nog kon doen, was de moed hebben om nog dieper overgave te beoefenen, om oprecht te zijn met wat er is.
Hij liep naar de grote demon toe en legde zijn hoofd in diens gigantische bek.
“Als je me wilt opeten, ga je gang,” zei Milarepa.
Op dat moment verdween de demon.
de goeroe - jeff foster
Degene die je laat lachen tot je buik pijn doet en je snuift als een varken, is je goeroe. Degene die je laat huilen, die je al je geheimen door tranen heen laat uitstorten, is je goeroe. Degene die je uitdaagt, die oude pijn in je wakker maakt, die je confronteert met je diepste angsten en verlangens, die je helpt de waarheid te spreken, is je goeroe.
Elke ademhaling is je goeroe, elke slag van je hart, elk geluid. De ochtendbries die langs je wang strijkt, is je goeroe. De auto die niet stopt, de gemiste kans, de gebroken belofte, het verbrijzelde been, ze zijn allemaal je goeroes.
Degene van wie je houdt, degene die je eindeloos frustreert, degene waarbij je je doodverveelt, degene aan wie je niet meer wilt denken, degenen die zijn weggegaan, ook zij zijn je goeroes.
Dit hele leven, zo vluchtig, zo aanwezig, zo triomfantelijk, is je goeroe.
Je kunt op zoek gaan naar je goeroe in een ashram, een kerk, een tempel, een wetenschappelijk laboratorium. Je kunt bevrijding zoeken in een grot op een bergtop in India. Maar mijn vriend, als je diep kijkt in het huidige moment, zul je zien dat je er al bent.
Het ware altaar is de plek waar je staat. Het heilige boek openbaart zich opnieuw in elk moment. Het koninkrijk ligt verspreid over de aarde, wachtend op open ogen.
het Muskushert (Kasturi Mriga)
In de dichte bossen van de Himalaya ving een muskushert op een dag een betoverende geur op, een geur zo hemels dat het iets diep vanbinnen in hem raakte. Hij voelde zich er onverklaarbaar toe aangetrokken. Dag en nacht dwaalde hij door valleien, beklom heuvels, stak rivieren over, en zocht onvermoeibaar naar de bron van dit betoverende aroma.
Hij snoof aan bloemen, bomen, de lucht en zelfs andere dieren, maar tevergeefs. Waar hij ook ging, de geur leek dichtbij, maar bleef ongrijpbaar. Zijn verlangen werd elke dag sterker, en groeide uit tot een obsessie. Hij vergat te eten, te slapen, te rusten. Zijn zoektocht werd een wanhopige jacht.
De seizoenen gingen voorbij. Het hert, nu moe en verwond van de eindeloze zoektocht, beklom een rotsachtige heuvel om beter zicht te krijgen. Terwijl hij daar stond, verzwakt maar nog steeds vastbesloten, gleed hij uit en viel van de klif. Zwaar gewond lag hij op de grond, zijn laatste ademhalingen nemend.
In die laatste momenten bracht de wind de geur opnieuw mee. Maar dit keer was het sterker dan ooit. Terwijl hij naar binnen keerde, ontdekte hij eindelijk de waarheid, de bron van de goddelijke geur zat al die tijd in hemzelf. De muskus was verborgen in een klier onder zijn navel, zijn eigen lichaam was de bron geweest van de geur waar hij zijn hele leven naar op zoek was geweest.